De laatste dingen
Deel 3 van 3 van deze bijbelstudie
Is de GROTE VERDRUKKING hetzelfde als
DE DAG DES HEREN?




1 Tessalonicenzen 5:9

Vaak wordt het argument gebruikt dat de gemeente niet door de grote verdrukking gaat omdat God ons niet gesteld heeft tot toorn. zoals we kunnen lezen in Thessalonisenzen.
“9 want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van zaligheid door onze Here Jezus Christus”..
Er is echter een verschil tussen ‘verdrukking’ en ‘toorn’.
De christenen zijn altijd al verdrukt geweest.
Verdrukking blijft hetzelfde of die nu groot is of niet. Groot geeft alleen de omvang aan.
Wat is het verschil tussen de marteldood sterven in de eerste eeuw om het getuigenis van Jezus, of de marteldood sterven om datzelfde getuigenis in de laatste eeuw?


Ga naar: Gaat de Gemeente door de Grote Verdrukking? Ga naar: de "Weerhouder" Ga naar: Verdrukking einde van een tijdperk
1 Tessalonicenzen 3:3
De vervolgden van toen en die van straks hebben allemaal medewerkers Gods nodig “om u te versterken en u te vermanen inzake uw geloof, dat niemand zou wankelen onder deze verdrukking. Gij weet immers zelf, dat wij daartoe bestemd zijn”

Maar is ‘de dag van Zijn toorn’ dan hetzelfde als ‘de dag des Heren’?
Om dat uit te zoeken gaan we een aantal bijbelgedeelten met elkaar vergelijken.
We beginnen in 2 Tessalonicenzen.
2 Tessalonicenzen 2:1-4
“1 Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst van onze Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem, 2 dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag des Heren reeds aanbrak.
3 Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, 4 de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is.”

Paulus stelt hier de Tessalonicenzen gerust “met betrekking tot de komst van onze Here Jezus Christus èn onze vereniging met Hem, .... alsof de dag des Heren reeds aanbrak.”
Duidelijk stelt Paulus hier het moment van onze vereniging met Hem gelijk aan de aanvang van de dag des Heren. Maar, zegt hij, voordat dat gebeurt moet eerst de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren.

De profeet Daniël spreekt ook over die mens der wetteloosheid.
Daniël 9:27
“27 En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.”

Daniël 11:31
En:
“31 Dan zullen strijdmachten door hem op de been gebracht worden; zij zullen het heiligdom, de vesting, ontheiligen, het dagelijks offer doen ophouden en een gruwel oprichten, die verwoesting brengt.”
Daniël 12:11
“11 En van de tijd af dat het dagelijks offer wordt gestaakt en een gruwel wordt opgericht, die verwoesting brengt, zijn het duizend tweehonderd en negentig dagen;”

Uit de context van deze verzen (vs.24) blijkt, dat er een periode is vastgesteld die 70 weken duurt. We kunnen daar nu niet op ingaan, maar bedoeld zijn: jaarweken. Dat betekent dat het gaat om 70x7 jaar= 490 jaar.
In die laatste jaarweek zal het gebeuren dat die gruwel der verwoesting zich zal openbaren. Ook zal in die laatste jaarweek over het volk van Israël de overtreding worden voleindigd, de zonde afgesloten, de ongerechtigheid verzoend. Deze laatste dingen zullen gebeuren als Jezus terugkomt.

De vorst van een volk dat komen zal, zo zegt Daniël, zal in de helft van de laatste jaarweek het offeren doen ophouden waarna hij zich zal openbaren als de gruwel der verwoesting.

Jezus haalt ook Daniël aan in zijn rede over de laatste dingen:
Mattheus 24:15,21
“15 Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats ziet staan (wie het leest, geve er acht op) .....
21 Want er zal dan een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal”.

Die tijd zal drie-en-een-half-jaar duren. Dat zijn 1260 dagen. Een halve jaarweek. Daniël spreekt in dit verband over 1290 dagen. Dertig meer dan 1260 dagen. Waarom? Ik ben daar nog niet uit.
Deze 1260 dagen worden ook genoemd in Openbaring.
Openbaring
12:1-9, 12-14, 13:1-8
“1 En er werd een groot teken in de hemel gezien: een vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd; 2 en zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren.
3 En er werd een ander teken in de hemel gezien, en zie, een grote rossige draak met zeven koppen en tien horens, en op zijn koppen zeven kronen. 4 En zijn staart sleepte een derde van de sterren des hemels mede en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, om, zodra zij haar kind gebaard had, dit te verslinden. 5 En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd plotseling weggevoerd naar God en zijn troon.
6 En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat zij daar twaalfhonderd zestig dagen onderhouden zou worden.

7 En er kwam oorlog in de hemel; Michael en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog, 8 maar hij kon geen standhouden, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden.
9 En de grote draak werd op de aarde geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem.”

“12 Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u nedergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft. 13 En toen de draak zag, dat hij op de aarde was geworpen, vervolgde hij de vrouw, die het mannelijke kind gebaard had.
14 En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven om naar de woestijn te vliegen, naar haar plaats, waar zij onderhouden wordt buiten het gezicht van de slang, een tijd en tijden en een halve tijd.”

“13:1 en hij bleef staan op het zand der zee. En ik zag uit de zee een beest opkomen met tien horens en zeven koppen; en op zijn horens tien kronen en op zijn koppen namen van godslastering.
2 En het beest, dat ik zag, was een luipaard gelijk, en zijn poten als van een beer en zijn muil als de muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht.
3 En ik zag een van zijn koppen als ten dode gewond, en zijn dodelijke wond genas; en de gehele aarde ging het beest met verbazing achterna, 4 en zij aanbaden de draak, omdat hij aan het beest de macht gegeven had, en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is aan het beest gelijk? en: Wie kan er oorlog tegen voeren?
5 En hem werd een mond gegeven, die grote woorden en godslasteringen spreekt; en hem werd macht gegeven dit tweeënveertig maanden lang te doen.
6 En het beest opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om zijn naam te lasteren en zijn tent en hen, die in de hemel wonen.
7 En hem werd gegeven om tegen de heiligen oorlog te voeren en hen te overwinnen; en hem werd macht gegeven over elke stam en natie en taal en volk.
8 En allen, die op de aarde wonen, zullen het beest aanbidden, ieder, wiens naam niet geschreven is in het boek des levens van het Lam, dat geslacht is sedert de grondlegging der wereld.”

De vrouw die het mannelijk kind gebaard heeft is Israël. Het mannelijk kind is Jezus.
Israël zal 1260 dagen lang door God beschermd worden in de woestijn. 1260 dagen is 3 1/2 jaar. Ook is het een tijd, tijden en een halve tijd. Vers 6 en vers 14 vertellen hetzelfde verhaal.
Deze zelfde tijd komen we ook tegen in hoofdstuk 13 van Openbaring, maar dan in maanden uitgedrukt. Het beest zal twee en veertig maanden lang macht hebben om godslasterlijke dingen te doen en de heiligen te vervolgen.
Dit is de tijd van de grote verdrukking. Dit is niet de tijd van de ‘dag des Heren’.

Voordat die dag aanbreekt worden eerst tekenen aan het firmament zichtbaar.
Joël 2:31
“31 De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt.”
Jesaja 13:9-13
“9 Zie, de dag des Heren komt, meedogenloos, met verbolgenheid en brandende toorn, om de aarde tot een woestenij te maken en haar zondaars van haar te verdelgen.
10 Want de sterren en de sterrenbeelden des hemels doen hun licht niet stralen, de zon is bij haar opgang verduisterd en de maan laat haar licht niet schijnen. 11 Dan zal ik aan de wereld het kwaad bezoeken en aan de goddelozen hun ongerechtigheid, en Ik zal de trots der overmoedigen doen ophouden en de hoogmoed der geweldenaars vernederen.
12 Ik zal de stervelingen zeldzamer maken dan gelouterd goud en de mensen dan fijn goud van Ofir.
13 Daarom zal Ik de hemel doen wankelen en de aarde zal bevend van haar plaats wijken door de verbolgenheid van de Here der heerscharen, ten dage van zijn brandende toorn.”

Tekenen aan zon maan en sterren “Dan zal Ik aan de wereld het kwaad bezoeken...” Dit is de ‘dag des Heren’ (vs.9), de dag van Zijn brandende toorn (vs.13b).
Als we deze bijbelgedeelten met elkaar vergelijken, dan blijkt dat de dag des Heren -de dag van Zijn brandende toorn-, komt ná de tekenen aan sterren, zon en maan.
Uit Matteüs 24 blijkt, dat deze tekenen komen “terstond na de verdrukking”.

Conclusie:
De ‘grote verdrukking’ is niet hetzelfde als ‘de dag des Heren’.

Gaat de gemeente door de GROTE VERDRUKKING?


Als we zo de voorgaande teksten rustig op ons in laten werken moet het wel duidelijk zijn, dat wij christenen, bestemd zijn voor verdrukkingen, maar God heeft ons niet gesteld tot toorn. De dag van zijn toorn zal aan ons voorbijgaan.

Nog eens naar 2 Tessalonicenzen 2:1-4.
Paulus noemt de ‘komst’ van onze Heer en onze ‘vereniging’ met Hem (de opname der gemeente) in één adem met ‘het aanbreken van de dag des Heren’. Daaruit blijkt, dat de gemeente wordt opgenomen bij het aanbreken van ‘de grote en geduchte dag des Heren’. De dag van Zijn toorn.
We hebben al eerder gezien, dat het aanbreken van de dag des Heren is ná het einde van de grote verdrukking.

Laten we nog wat bijbelgedeelten doornemen om het beeld wat duidelijker te maken.
We beginnen met een paar verzen uit Openbaring.
De gemeente zal, nadat ze is opgenomen, samen met Jezus regeren op de aarde.



Ga naar: de "Weerhouder" Ga naar: Verdrukking einde van een tijdperk
Openbaring 5:10
“10 en Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde.”

Openbaring 1:6
“6 en Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader gemaakt. Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden! Amen.”


Daniël 7:17-18
Ook Daniël spreekt daarover.
“17 die grote dieren, die vier, zijn vier koningen die uit de aarde zullen opkomen; 18 daarna zullen de heiligen des Allerhoogsten het koningschap ontvangen, en zij zullen het koningschap bezitten tot in eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden.”


Het is echter niet zo, dat dit zonder slag of stoot gaat. De gelovigen zullen een hoop problemen moeten verduren voordat het zover is.
Daniël 7:21
“21 Ik zag, dat die horen strijd voerde tegen de heiligen en hen overmocht,”
Openbaring 13:7
Die horen is het beest uit openbaring 13. “ 7 En hem werd gegeven om tegen de heiligen oorlog te voeren en hen te overwinnen; en hem werd macht gegeven over elke stam en natie en taal en volk.”


Gelukkig laat Daniël 7 zien, dat het geen blijvende overwinning is over de heiligen. Als Jezus komt verschaft Hij de heiligen recht “en de tijd naderde, dat de heiligen het koningschap in bezit kregen.”

In Openbaring 20 lezen we weer van mensen die koning zullen zijn samen met Jezus. Hier wordt met name gesproken over hen die komen uit de grote verdrukking. (Zij hadden het beeld noch het beest aanbeden.)
En dan staat er in vers 4b
Openbaring 20:4
“En ik zag tronen, en zij zetten zich daarop, en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen van hen, die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het woord van God, en die noch het beest noch zijn beeld hadden aangebeden en die het merkteken niet op hun voorhoofd en op hun hand ontvangen hadden; en zij werden weder levend en heersten als koningen met Christus, duizend jaren lang.”

Is het koningschap dan alleen voor hen die onthoofd zijn?
Openbaring 2:26-27
Nee, want Jezus zegt: “26 En wie overwint en mijn werken tot het einde toe bewaart, hem zal Ik macht geven over de heidenen; 27 en hij zal hen hoeden met een ijzeren staf, als aardewerk worden zij verbrijzeld, gelijk ook Ik van mijn Vader ontvangen heb,”
Openbaring 3:21
En: “21 Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon.”

Paulus legt uit aan de Corinthiërs dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet kunnen beërven. Daarom zegt hij:
1 Corinthiërs 15:51-52
“51 Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, 52 in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij (die dan leven) zullen veranderd worden.”

Aan de Thessalonisenzen legt hij hetzelfde uit:
1 Tessalonicenzen 4:15-18
15 Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan,
16 want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan;
17 daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met de Here wezen.
18 Vermaant elkander dus met deze woorden.”

Het is dus duidelijk dat de gemeente wordt opgenomen en de ontslapenen (in de Here) zullen daarbij worden opgewekt. Dit is een opstanding.
Als er dan in Openbaring 20:6 zeer nadrukkelijk wordt gezegd dat aan het begin van het duizendjarig rijk en ná de grote verdrukking de “eerste opstanding” plaats vindt, dan moet dat dezelfde zijn van 1 Corr. 15 en 1 Tessalonicenzen 4.
Conclusie: De gemeente zal door de grote verdrukking moeten gaan.

Nu zijn er mensen die leggen uit, dat dit niet waar is, want, zeggen ze, als de “weerhouder” verwijderd is zal de gemeente samen met die “weerhouder” vóór de grote verdrukking worden opgenomen.
Men legt dan uit dat die “weerhouder” de Heilige Geest is.
Het zou mooi zijn als dit zo was, want wie wil er nu graag door een grote verdrukking? Maar waar kan ik een tekst vinden die dit bevestigd? En waar is een tekst te vinden die uitlegt dat de gemeente enige tijd vóór de EERSTE opstanding wordt opgenomen? Een “pre-eerste opstanding”.
De tekst die over die “weerhouder” spreekt kunnen we vinden in 2 Thessalonisenzen.

2 Tessalonicenzen 2:6-10
“6 En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd. 7 Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; wacht slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is. 8 Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here Jezus doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt.
9 Daarentegen is diens komst naar de werking des satans met allerlei krachten tekenen en bedrieglijke wonderen, 10 en met allerlei verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden.

Wie is die “weerhouder”?



De “WEERHOUDER”

2 Tessalonicenzen 2:1-10

We lezen nog eens Tessalonisenzen 2.
“1 Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst van onze Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem, 2 dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag des Heren reeds aanbrak.
3 Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, 4 de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is.
5 Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb?
6 En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd.
7 Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; wacht slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is.
8 Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here Jezus doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt.
9 Daarentegen is diens komst naar de werking des satans met allerlei krachten tekenen en bedrieglijke wonderen, 10 en met allerlei verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden.”


Ga terug naar: Gaat de Gemeente door de Grote Verdrukking? Ga naar: Verdrukking einde van een tijdperk
Als we inzicht willen krijgen op deze teksten moeten we enige vragen proberen te beantwoorden die dit gedeelte oproept. De antwoorden zullen uit de bijbel moeten komen, anders blijft het giswerk.

Vraag 1: Wie is de mens der wetteloosheid?

Het antwoord wordt al gegeven in dezelfde tekst.
Hij is de zoon des verderfs. De zoon van satan. Satan brengt ook een zoon in de wereld, maar naar zijn aard zal hij een tegenstander zijn van God.
De Zoon van God brengt vrede en eeuwig leven en Jezus kwam om de wet te vervullen. (Mattheus 5:17-->).
Maar de zoon van satan zal verderf en wetteloosheid brengen. Zijn komst is naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedriegelijke wonderen. (2 Tessalonicenzen 2:9 -->).
Gods Zoon kwam precies tegenovergesteld.
Hij bracht geen bedrieglijke wonderen, maar echte wonderen.
Jezus bracht geen verlokkende ongerechtigheid, maar Hij bracht Gods gerechtigheid.

Vraag 2: Van wie krijgt de zoon van satan zijn macht?

Het antwoord is logisch: van zijn vader. Zo vader zo zoon.
17 Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen.
(Mattheus 5:17, NBG).


9 Daarentegen is diens komst naar de werking des satans met allerlei krachten tekenen en bedrieglijke wonderen, 10 en met allerlei verlokkende ongerechtigheid
(2 Tessalonicenzen 2:9,10 NBG).
Johannes 8:44
“44 Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen.”
Jezus kreeg de kracht van God toen de Heilige Geest uit de hemel op Hem neerdaalde. Jezus was daarna veertig dagen in de woestijn. Daarna, toen Johannes de doper was overgeleverd, begon Jezus het evangelie Gods te prediken. Dit was voor het eerst dat Hij openbaar werd.

De satan zal de zoon des verderfs zijn kracht geven. We lezen in Openbaring 13:
Openbaring 13:11-12
“11 En ik zag een ander beest opkomen uit de aarde en het had twee horens als die van het Lam, en het sprak als de draak.
12 En het oefent al de macht van het eerste beest voor diens ogen uit. En het bewerkt, dat de aarde en zij, die daarop wonen, het eerste beest zullen aanbidden, welks dodelijke wond genezen was.”


Het beest had twee horens ALS die van het Lam, maar het sprak als de draak. Het gaat hier duidelijk om een imitatie van het Lam, de Zoon van God, maar de imitatie was niet volkomen: het beest sprak als de draak.
En dit beest oefent al de macht van het eerste beest voor diens ogen uit. Het eerste beest is het vierde rijk -het herrezen Ottomaanse (Islam) rijk- wat zijn macht heeft gekregen van van de draak (de duivel). (Opb.12:9 en 13:4).
Het imitatie-lam (de zoon van de duivel) spreekt als de duivel en het doet grote tekenen. (2Tessalonicenzen 2:9 en Opb. 13:13-->).

Uit Openbaring 12 en 13 blijkt dat de zoon des verderfs zijn macht krijgt als de duivel uit de hemel verwijderd wordt. (Opb.12:9-->) (vgl. ook 2Tessalonicenzen 2:7-8-->).

Ook hier zien we weer een parallel met de Zoon van God de Vader: De Zoon van God ontving alle macht toen God de hemel opende en Zijn Geest, Die een eenheid vormt met God, naar de aarde zond en Zich daarmee één verklaarde met de Zoon.
De zoon van de duivel ontvangt macht als zijn vader, die zelf een geest is, uit de hemel op de aarde komt.
Ik denk dat deze parallel niet door de duivel gewild is, maar evengoed gebeurd het wel zo.

Als we bijbel met bijbel vergelijken is het duidelijk, dat “hij die op het ogenblik nog weerhoudt” de satan is.

Nogmaals een parallel.
Jezus was dertig jaar op aarde, maar Hij werd als het ware door Zijn Vader weerhouden om met kracht in de openbaarheid te treden.
De zoon des verderfs zal zich in de tempel zetten om zich kenbaar te maken als een god. Maar hij zal dat niet eerder met wonderen en tekenen doen dan dat zijn vader uit de hemel verwijderd is en hem die macht geeft.
En dan zal de grote verdrukking beginnen. Drie en een half jaar lang zal die duren.

Zie voor meer over het dodelijk gewonde, maar herstelde, rijk de studie: Daniël-Openbaring

 

9 En de grote draak werd op de aarde geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem.
(Openbaring 12:9, NBG).

13 En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel doet nederdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen.
(Openbaring 13:13, NBG).

7 Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; wacht slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is.
8 Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here Jezus doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt.
(2 Tessalonicenzen 2:7-8, NBG).

Openbaring 12:7-12
“7 En er kwam oorlog in de hemel; Michael en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog, 8 maar hij kon geen standhouden, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden.
9 En de grote draak werd op de aarde geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem.
10 En ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: Nu is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de macht van zijn Gezalfde; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is nedergeworpen.
11 En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de dood.
12 Daarom, verheugt u, gij hemelen en wie daarin wonen. Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u nedergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft.”

Hoeveel tijd?
Openbaring 12:13-14
13 En toen de draak zag, dat hij op de aarde was geworpen, vervolgde hij de vrouw, die het mannelijke kind gebaard had. 14 En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven om naar de woestijn te vliegen, naar haar plaats, waar zij onderhouden wordt buiten het gezicht van de slang, een tijd en tijden en een halve tijd.”
Dat is 1260 dagen of 42 maanden. Opb.12:6 en 13:5 -->).

De vrouw is Israël. Het mannelijk kind is Jezus.

6 En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat zij daar twaalfhonderd zestig dagen onderhouden zou worden.
(Openbaring 12:6, NBG).

5 En hem werd een mond gegeven, die grote woorden en godslasteringen spreekt; en hem werd macht gegeven dit tweeenveertig maanden lang te doen.
(Openbaring 13:5, NBG).
Openbaring 12:17
“17 En de draak werd toornig op de vrouw en ging heen om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben”
Openbaring 13:7
7 En hem werd gegeven om tegen de heiligen oorlog te voeren en hen te overwinnen; en hem werd macht gegeven over elke stam en natie en taal en volk.

Dit nageslacht is het nageslacht van Abraham.
Romeinen 9:7-8
“7 en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken.
8 Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloften gelden voor nageslacht.”

Paulus spreekt hier over Messias (Christus) belijdende mensen.
De tijd van satans verdrukking zal 3 1/2 jaar duren. (Vgl. Opb. 12:6, 12:14 en 13:5).

Maar hier blijft het niet bij....

De VERDRUKKING is het einde van een tijdperk...
maar niet het einde van alles!

Matteüs 24:29-31

Aan het einde van die verdrukkingsperiode komt Jezus.
“29 Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen.
30 En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid.
31 En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere.”


Ga terug naar:
de "Weerhouder"
Ga terug naar: Gaat de Gemeente door de Grote Verdrukking?
Hij zal zijn uitverkorenen verzamelen.
De doden zullen opgewekt worden en wij, als wij dan nog leven, zullen veranderd worden en voortaan bij Hem zijn. (1 Tessalonicenzen 4:15-17 -->).
Dan zal gebeuren wat in Opb. 20:6 al gezegd is.
Wij die deel hebben aan de eerste opstanding zullen priesters van God en van Christus zijn en met Hem als koningen heersen, duizend jaren lang.

Een geweldige toekomst.
Als wij ons oog gericht houden op Jezus en al onze kracht van Hem verwachten, zullen wij door Hem in staat worden gesteld de gruwelen van de grote verdrukking te doorstaan.
Hij zal het niet toestaan, dat wij boven vermogen verzocht zullen worden. (1Corr.10:13 -->).

Laten we ons er geestelijk op voorbereiden te volharden in ons geloof aan Hem die ons liefheeft.
15 Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan,
16 want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan;
17 daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met de Here wezen.
(1 Tessalonicenzen 4:15-17, NBG).

13 Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.
(1 Corinthiërs 10:13, NBG).
Jacobus 1:12
“12 Zalig is de man, die in verzoeking volhardt, want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben.”

2 Timoteüs 2:12
“12 indien wij volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen; indien wij Hem zullen verloochenen, zal ook Hij ons verloochenen”


Ga terug naar het begin van deze pagina Ga terug naar deel 1 van 'de laatste dingen' Ga terug naar deel 2 van 'de laatste dingen' Ga terug naar: Gaat de Gemeente door de Grote Verdrukking? Ga terug naar: de "Weerhouder" Ga terug naar: Verdrukking einde van een tijdperk