Wie zijn de zonen Gods in Genesis 6?

 

Een intrigerend stukje uit de Bijbel

Dat is een vraag die ik regelmatig tegen kom.
Het is inderdaad een intrigerend stukje uit de bijbel, dat verhaal over die zonen Gods die tot de dochters der mensen kwamen.
Laten we het eerst maar eens lezen.


Genesis 6

1 Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, 2 zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen.
3 En de Here zeide: Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn.
4 De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun [kinderen] baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam."

Er is heel wat afgespeculeerd over deze teksten. Veelal wordt gedacht aan engelen. Op zich niet zo'n gekke veronderstelling als je bijbel met bijbel vergelijkt, want in Job worden engelen zonen Gods genoemd. Maar zijn dat alle teksten die we hierbij betrekken kunnen? In het OT wel, maar er staat een interessante tekst in Mattheüs eüs. Jezus gaat hier in op een vraag over de opstanding, het interessante hieraan is, dat Hij de engelen als voorbeeld gebruikt. Engelen huwen niet!


Mattheüs 22:30

Immers, in de opstanding huwen zij (de mensen) niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel."

Dus Jezus legt hier, op een indirecte manier, uit, dat engelen niet huwen. Dan kunnen de zonen Gods in Genesis 6 dus geen engelen zijn. Bovendien zijn engelen geesten, en geesten kunnen geen gemeenschap hebben met mensen waardoor ze kinderen kunnen voortbrengen.

Nu hoorde ik eens een interessante theorie. Er werd gesteld dat die zonen Gods gevallen engelen zijn, demonen. Deze demonen zagen dat de dochters der mensen schoon waren. Die dochters zijn dan de volken die op de aarde ontstonden. Denk aan 'dochter Sions' ofwel Israël. Die demonen namen zich vrouwen (volken), wie zij maar verkozen.
Op zich zit er wel wat in deze theorie. We weten, mede uit Daniël, dat volken beheerst worden door machten van de duisternis. Toch geloof ik niet dat dat de teksten uit Genesis 6 zo moeten worden uitgelegd. Het is een vergeestelijking van deze teksten waar geen aanleiding voor gegeven wordt binnen de context. Ook het verhaal op zich sluit niet volledig aan bij deze theorie.

Als dat zo is, zitten we nog steeds met de vraag: Wie zijn die zonen Gods dan in Genesis 6? We gaan daar toch proberen een antwoord op te vinden.
Dit bijbelgedeelte staat natuurlijk in een groter geheel. De bijbel begint niet met hoofdstuk 6. De hoofdstukken 1 tot en met 5 staan er niet voor niets voor.
Het begint allemaal met God, die de chaos die er was, nadat de engel Lucifer zich aan de hoogste gelijk wilde stellen, weer herschiep tot een prachtige planeet, vol met planten en dieren. Op de zesde dag van de (her)schepping schiep de Here God Adam. Hij schiep Adam naar Gods beeld en als zijn gelijkenis. In Lucas 3:38 kunnen we lezen dat Adam een zoon van God was.
Het bleef niet bij Adam alleen, God schiep ook een vrouw, Eva. Adam en Eva kregen van God de opdracht te heersen over de aarde. God zegende Adam en Eva door hen vruchtbaar te maken.


Genesis 1:28

Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar."

Adam en Eva woonden in het paradijs. Daar stond ook een boom, waarvan God gezegd had dat zij daar niet van mochten eten, de boom van kennis van goed en kwaad.
In het derde hoofdstuk maken we kennis met de de listigheid van Gods tegenstander, de voormalige engel Lucifer. Deze sprak door de slang tot Eva en verleidde haar toch van die vrucht te eten die God hun verboden had om van te eten. Adam deed mee.
Het gevolg is een breuk met God. De satan wordt aangezegd dat zijn kop vermorzeld zal worden door het zaad van de vrouw, dat is Jezus.


Genesis 3:16

Tot de vrouw zeide God: Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen."

Als we even voorbij gaan aan het zeer dramatische verhaal van de zondeval, zien we dat God Adam en Eva eerst de opdracht geeft zich te vermenigvuldigen en de aarde te vervullen en die te onderwerpen. Dan, na de zondeval, zegt God tegen Eva: Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap.

Als je nog nooit iets gehad hebt, dan kan het ook niet zeer vermeerderd worden. God verwijt Adam en Eva ook niet dat zij niet aan hun opdracht tot vermenigvuldigen hebben voldaan, Hij zegt alleen: vanaf nu zal dat heel veel moeilijker gaan.

Adam en Eva hebben voor de zondeval kinderen gehad. Hoeveel? Dat weten we niet, maar het moeten er genoeg zijn geweest om Kain later in de gelegenheid te stellen een vrouw te vinden en om bang te zijn door die "anderen" te worden vermoord.

In hoofdstuk 5 kunnen we lezen: Ten dage, dat God Adam schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods; man en vrouw schiep Hij hen, en Hij zegende hen en noemde hen `mens' ten dage, dat zij geschapen werden. Toen Adam honderd dertig jaar geleefd had, verwekte hij [een zoon] naar zijn gelijkenis, als zijn beeld, en noemde hem Set.

We hebben net gelezen dat Adam naar de gelijkenis Gods geschapen werd. Na de zondeval kreeg Adam Set. Er staat heel betekenisvol bij dat Set naar de gelijkenis van Adam was, als zijn beeld. Als het beeld dat de mens van zichzelf gemaakt had door van God los te komen. Niet meer een zoon van God.

Adam was voor de zondeval een zoon van God. Zijn kinderen van voor de zondeval zijn dan ook zonen van God!
En die zonen van God kwamen tot de dochters van de mensen van na de zondeval. Dat was niet goed volgens God. De Geest van God die in de zonen Gods was zou van het worden weggenomen. Zij waren niet langer geestelijk, maar vleselijk.

Dit alles speelde zich af in de tijd dat de geweldigen uit de voortijd nog op de aarde waren. Realiseer je je eens dat Adam nog leefde toen Metusalem geboren werd. Adam stierf toen Lamech, de vader van Noach, 56 jaar was. Adam was de stamvader van de geweldigen. De mensen van de voortijd (voor de zondvloed) die genoemd worden in hoofdstuk 5.

Terug naar het begin van deze pagina